Nieuwsbericht ING: Kan er een gewoon herstel volgen uit een ongewone recessie?
Geplaatst: 8 september 2009, 07:56
Persbericht verzonden door ING Bank
Column Ad van Tiggelen
Brussel, 7 september 2009
Kan er een gewoon herstel volgen uit een ongewone recessie?
De financiële markten zijn in een nieuwe fase beland. De forse
koersstijgingen in de afgelopen maanden zijn grotendeels het gevolg van het feit dat beleggers het einde van de recessie en de kredietcrisis hebben verdisconteerd. Nu de marktwaarderingen weer zijn genormaliseerd, wordt de aandacht verlegd van het bepalen van het tijdstip van herstel naar het inschatten van de kracht van dat herstel.
Over dit laatste onderwerp lopen de meningen van beleggers sterk uiteen. Sommige grote Amerikaanse effectenhuizen voorzien een snelle terugkeer naar de hoge economische groeicijfers van voor 2008. Volgens een andere groep – waaronder wij onszelf zouden scharen – kan uit een ongewoon zware economische neergang geen gewoon herstel voortkomen, waaruit volgt dat een bescheidener ‘onder-trendmatige’ groei een waarschijnlijkere uitkomst is.
Die tweedeling onder beleggers is tot op zeker hoogte zichtbaar op de financiële markten: cyclische aandelen stijgen tot grote hoogtes en tegelijkertijd blijft de rente op staatsobligaties afnemen. Een situatie die niet veel langer kan voortduren. Een lage rente op langlopende staatsobligaties geeft immers aan dat de inflatie voorlopig zeer laag of zelfs nihil zal blijven, een omgeving waarin cyclische ondernemingen over het algemeen onvoldoende in staat zijn om de prijzen te verhogen of omzetgroei
te genereren.
De discussie onder beleggers concentreert zich op de rol van consumenten en het effect van een lage geldmarktrente. Nu Bernanke een tweede termijn als Fedvoorzitter heeft gekregen, ligt het voor de hand dat de officiële rentetarieven nog geruime tijd laag blijven. Dat is goed nieuws voor risicovolle vermogenstitels, omdat beleggers dan niet bijzonder beloond worden als ze hun geld op de bank laten staan. Dat is een van de redenen dat financiële markten zo euforisch reageren op de beter
dan verwachte cijfers.
Maar wil er sprake zijn van een stevig en duurzaam herstel, dan zal de consument de beleggers een handje moeten helpen. Tenslotte is 60% tot 70% van het BBP in de ontwikkelde wereld afkomstig van consumptie. Wij hebben onze bedenkingen over de kans op een ‘normaal’ herstel van de consumptie volgend op deze buitengewoon diepe recessie. Waarom?
- De balansen van consumenten gaan nog altijd gebukt onder een ongekend hoge schuldenlast, zeker in de Angelsaksische wereld.
- Consumenten raken gewend aan de lage rente waarvan ze het grootste deel van de afgelopen tien jaar hebben geprofiteerd. Van een lage rente zal ditmaal daarom niet dezelfde prikkel uitgaan als in het verleden.
- Consumenten in de ontwikkelde wereld vergrijzen. De Verenigde Staten en Europa staan aan het begin van een periode van ongunstige demografische ontwikkelingen. Oudere consumenten hebben de neiging minder uit te geven aan (woninggerelateerde) artikelen, zoals blijkt in Japan. Dat effect wordt weliswaar gedeeltelijk gecompenseerd door de groei van de consumptie in opkomende markten, maar op dit moment zijn de opkomende markten nog maar goed voor 25% tot 30% van de consumptie wereldwijd.
- Westerse consumenten krijgen in 2010 en 2011 waarschijnlijk te maken met een zeer lage reële loongroei. Ondernemingen zullen sterk blijven sturen op kostenbeheersing.
- Tegelijkertijd worden consumenten wegens de aanhoudende vraag van opkomende markten opnieuw geconfronteerd met een opwaartse druk op de grondstoffenprijzen.
Al met al is de kans aannemelijk dat het herstel van de consumentenbestedingen na deze recessie ongewoon traag en bescheiden van omvang zal zijn. Dit komt ook tot uitdrukking in onze portefeuilles, die onderwogen zijn in consumentengerelateerde sectoren (detailhandel, auto’s, huishoudelijke artikelen, eet- en drinkwaren) en overwogen in dienstverlening (telecom, nutsbedrijven), energie en technologie. Op regionaal niveau geven wij de voorkeur aan Europa boven de VS, omdat Europese aandelen duidelijk goedkoper zijn, hogere dividendopbrengsten kennen en een lager
gewicht hebben in consumentenaandelen.
Column Ad van Tiggelen
Brussel, 7 september 2009
Kan er een gewoon herstel volgen uit een ongewone recessie?
De financiële markten zijn in een nieuwe fase beland. De forse
koersstijgingen in de afgelopen maanden zijn grotendeels het gevolg van het feit dat beleggers het einde van de recessie en de kredietcrisis hebben verdisconteerd. Nu de marktwaarderingen weer zijn genormaliseerd, wordt de aandacht verlegd van het bepalen van het tijdstip van herstel naar het inschatten van de kracht van dat herstel.
Over dit laatste onderwerp lopen de meningen van beleggers sterk uiteen. Sommige grote Amerikaanse effectenhuizen voorzien een snelle terugkeer naar de hoge economische groeicijfers van voor 2008. Volgens een andere groep – waaronder wij onszelf zouden scharen – kan uit een ongewoon zware economische neergang geen gewoon herstel voortkomen, waaruit volgt dat een bescheidener ‘onder-trendmatige’ groei een waarschijnlijkere uitkomst is.
Die tweedeling onder beleggers is tot op zeker hoogte zichtbaar op de financiële markten: cyclische aandelen stijgen tot grote hoogtes en tegelijkertijd blijft de rente op staatsobligaties afnemen. Een situatie die niet veel langer kan voortduren. Een lage rente op langlopende staatsobligaties geeft immers aan dat de inflatie voorlopig zeer laag of zelfs nihil zal blijven, een omgeving waarin cyclische ondernemingen over het algemeen onvoldoende in staat zijn om de prijzen te verhogen of omzetgroei
te genereren.
De discussie onder beleggers concentreert zich op de rol van consumenten en het effect van een lage geldmarktrente. Nu Bernanke een tweede termijn als Fedvoorzitter heeft gekregen, ligt het voor de hand dat de officiële rentetarieven nog geruime tijd laag blijven. Dat is goed nieuws voor risicovolle vermogenstitels, omdat beleggers dan niet bijzonder beloond worden als ze hun geld op de bank laten staan. Dat is een van de redenen dat financiële markten zo euforisch reageren op de beter
dan verwachte cijfers.
Maar wil er sprake zijn van een stevig en duurzaam herstel, dan zal de consument de beleggers een handje moeten helpen. Tenslotte is 60% tot 70% van het BBP in de ontwikkelde wereld afkomstig van consumptie. Wij hebben onze bedenkingen over de kans op een ‘normaal’ herstel van de consumptie volgend op deze buitengewoon diepe recessie. Waarom?
- De balansen van consumenten gaan nog altijd gebukt onder een ongekend hoge schuldenlast, zeker in de Angelsaksische wereld.
- Consumenten raken gewend aan de lage rente waarvan ze het grootste deel van de afgelopen tien jaar hebben geprofiteerd. Van een lage rente zal ditmaal daarom niet dezelfde prikkel uitgaan als in het verleden.
- Consumenten in de ontwikkelde wereld vergrijzen. De Verenigde Staten en Europa staan aan het begin van een periode van ongunstige demografische ontwikkelingen. Oudere consumenten hebben de neiging minder uit te geven aan (woninggerelateerde) artikelen, zoals blijkt in Japan. Dat effect wordt weliswaar gedeeltelijk gecompenseerd door de groei van de consumptie in opkomende markten, maar op dit moment zijn de opkomende markten nog maar goed voor 25% tot 30% van de consumptie wereldwijd.
- Westerse consumenten krijgen in 2010 en 2011 waarschijnlijk te maken met een zeer lage reële loongroei. Ondernemingen zullen sterk blijven sturen op kostenbeheersing.
- Tegelijkertijd worden consumenten wegens de aanhoudende vraag van opkomende markten opnieuw geconfronteerd met een opwaartse druk op de grondstoffenprijzen.
Al met al is de kans aannemelijk dat het herstel van de consumentenbestedingen na deze recessie ongewoon traag en bescheiden van omvang zal zijn. Dit komt ook tot uitdrukking in onze portefeuilles, die onderwogen zijn in consumentengerelateerde sectoren (detailhandel, auto’s, huishoudelijke artikelen, eet- en drinkwaren) en overwogen in dienstverlening (telecom, nutsbedrijven), energie en technologie. Op regionaal niveau geven wij de voorkeur aan Europa boven de VS, omdat Europese aandelen duidelijk goedkoper zijn, hogere dividendopbrengsten kennen en een lager
gewicht hebben in consumentenaandelen.